Home Waterpolo Spelregels

Spelregels

E-mail Print PDF

Kijk hier voor het totale waterpolo regelement van de KNZB.

Toelichting:
Dit seizoen zijn de spelregels voor de komende vier jaar vastgesteld, van 2009-2013. Hieronder staan instructies van de nieuwe spelregels:

1. Starten van de wedstrijd. Bij aanvang van de wedstrijd stellen de scheidsrechters zich op, op de 5 meter lijn. De scheidsrechter aan de zijde van de jurytafel heft zijn arm ten teken dat de ploeg rechts van hem de goede positie heeft ingenomen. Wanneer zijn collega aan de overzijde ziet dat de ploeg rechts van hem ook de goede positie heeft ingenomen, heft hij zijn arm en kan de scheidsrechter aan de zijde van de jurytafel de wedstrijd starten met het geven van een fluitsignaal en het dalen van zijn arm. Bij wedstrijden op een 25 meter veld, zonder het zgn. wedstrijdmandje, is het toegestaan om op de 7 meter de wedstrijd te beginnen.

2. Het gebruik van de gele kaart aan spelers is alleen van toepassing in de hoofd- en eerste klasse. Een gele kaart wordt gegeven zoals in de bijlage A van de spelregels staat omschreven (punt 7) en geldt als waarschuwing voor de gehele ploeg. Mocht dus enige speler van de ploeg, nadat een ploeggenoot reeds een gele kaart is getoond, opnieuw een gele kaart getoond worden, wordt deze speler bestraft met een UMV.

3. Wanneer spelers zich niet gedragen op de spelersbank, wordt dit bestraft met een rode kaart en moeten zij de zwemzaal verlaten.

4. Het gebruik van de gele en rode kaart tegen teamofficials die plaatsnemen op de spelersbank. Het gele/rode kaartensysteem is nodig is om de ploegenbank onder controle te houden. Het geven van een rode kaart door de scheidsrechter geeft aan dat de coach of iedere andere teamofficial die op dat moment op de spelersbank plaatsneemt, de zwemzaal moet verlaten. Een gele kaart dient als waarschuwing en kan alleen aan de coach worden gegeven. Wanneer de coach de gele kaart heeft ontvangen, behoudt hij zijn rechten en verantwoordelijkheden. Wanneer de coach een rode kaart wordt getoond, neemt de assistentcoach zijn functie waar, zonder diens rechten en verantwoordelijkheden.

5. Het verspillen van tijd, is uit de spelregels verdwenen. Dit houdt in dat het een ploeg is toegestaan in de laatste minuut van de wedstrijd de bal terug te spelen op de doelman.

6. Wanneer tijdens de laatste minuut van de wedstrijd (of verlenging) er gelijktijdig strafworpen worden gegeven aan de verschillende ploegen, is het niet mogelijk dat er voor balbezit wordt gekozen. Beide strafworpen moeten worden genomen.

7. Wanneer er een doelworp en een hoekworp wordt toegekend, wordt de wedstrijd vervolgd met een hoekworp.

8. Wanneer er twee spelers gelijktijdig uit het water worden gestuurd, moet de scheidsrechter de bal uit het water halen om vervolgens aan spelers, jurytafel en collega duidelijk door te geven, wie er uit worden gestuurd.

9. Een aanvallende speler wordt niet bestraft wanneer deze even in het twee meter gebied ligt zonder aan het spel deel te nemen.

10. Wanneer de bal middels een blok van een verdedigende veldspeler het speelveld aan de zijkant verlaat, wordt er een vrije worp gegeven aan de verdedigende partij (dus de ploeg die de bal het laatst heeft aangeraakt). Deze regel wordt ook gevolgd bij het onderscheppen van een worp. Scheidsrechters moeten zich bewust zijn dat wanneer een verdedigende veldspeler de bal bewust over de zijlijn werkt de vrije worp gaat naar de tegenpartij.

11. Het is niet nodig voor een gewone fout te fluiten bij balbezit, voor iemand die de bal niet in zijn bezit heeft.

12. Een verdediger mag de aanvaller niet hinderen bij het nemen van de vrije worp. Hij mag bijvoorbeeld geen beweging maken naar de nemer van de vrije worp.

13. Wanneer er sprake is van een bloedende wond (WP 25.2) moet betreffende speler onmiddellijk worden vervangen en wordt de wedstrijd vervolgd door de ploeg welke in balbezit was op het moment van onderbreking.

14. De coach mag wanneer zijn ploeg in de verdediging is niet voorbij de achterlijn komen. Bij de bank mag hij staan of zitten. De spelersbak moet dus achter de achterlijn worden opgesteld.

15. Bij een strafworp stelt de scheidsrechter die niet direct verantwoordelijk is voor de juiste uitvoering van de strafworp zich op op de achterlijn. Wanneer de doelman de juist positie heeft ingenomen heft deze scheidsrechter zijn arm, ten teken dat de doelman de correcte positie heeft ingenomen.

16. De thuisploeg begint de wedstrijd altijd aan de linkerzijde van de jurytafel.